Wet toekomst pensioenen

Nieuwe methode pensioenopbouw – een onzekerder pensioen en een fors aantal procedures.

Geschreven door: Erik Lutjens 1

De Wet toekomst pensioenen is op 1 juli 2023 in werking getreden. De wet is het – voorlopige – eindpunt van een debat over hervorming van het stelsel van aanvullend pensioen dat op gang kwam na de financiële crisis in 2008. De Wet toekomst pensioenen (Wtp) bepaalt dat in de toekomst alleen nog premieovereenkomsten als karakter van een tweedepijlerpensioenregeling zijn toegestaan. Dit artikel bespreekt welke verandering de Wtp in het pensioenstelsel brengt, de aanleiding daarvoor en waarom de kans op veel procedures aanwezig is.

De Wet toekomst pensioenen is op 1 juli 2023 in werking getreden.2 De wet is het – voorlopige –
eindpunt van een debat over hervorming van het stelsel van aanvullend pensioen dat op gang kwam na de financiële crisis in 2008. De Wet toekomst pensioenen (Wtp) bepaalt dat in de toekomst alleen nog premieovereenkomsten als karakter van een tweedepijlerpensioenregeling zijn toegestaan. Uiterlijk op 1 januari 2028 moet zijn overgestapt op de uitvoering van een pensioenregeling die voldoet aan de Wtp. Vanaf 1 juli 2023 tot – uiterlijk – 1 januari 2028 is er een ‘transitieperiode’ waarbinnen de voor 1 juli 2023 bestaande pensioenregelingen aan de Wtp aangepast moeten zijn. 3

De Wtp is met tamelijk ruime meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer aangenomen, 4 maar er was ook veel kritiek, met name op het transitieproces, en men vreesde voor overbelasting van de rechterlijke macht als gevolg van vele verwachte procedures. Dit artikel bespreekt welke verandering de Wtp in het pensioenstelsel brengt, de aanleiding daarvoor en waarom de kans van veel procedures aanwezig is.

Kernpunten van de Wtp

De Wtp gaat over het tweedepijlerpensioen. Het pensioenstelsel wordt gewoonlijk gekenschetst als een driepijlerstelsel. De eerste pijler is de wettelijke sociale zekerheid (waaronder de AOW). De tweede pijler omvat de pensioenregelingen waarin men deelneemt op grond van het verrichten van arbeid; de arbeid is het ‘entreebiljet’ en vandaar dat het tweedepijlerpensioen ook als arbeidspensioen kan worden aangeduid. Ook komt de aanduiding aanvullend pensioen voor het pensioen op grond van de tweede pijler veel voor, omdat het beoogt een aanvulling op het pensioen uit de eerste pijler te geven. De derde pijler tot slot omvat de door een persoon privé getroffen pensioenarrangementen. De Wtp geeft alleen een nieuw kader voor het tweedepijlerpensioen. 5

Voor werknemers in het bedrijfsleven is dit tweedepijlerpensioen gebaseerd op een pensioenovereenkomst in de zin van de Pensioenwet of de verplichtstelling van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000).6 De kern van de Wtp bestaat uit het voorschrijven van de premieovereenkomst als enig toegelaten karakter van een pensioenregeling (artikel 10 Pensioenwet). Nu hebben pensioenregelingen overwegend het karakter van een uitkeringsovereenkomst; dat geldt althans voor door pensioenfondsen uitgevoerde pensioenregelingen.

Bij verzekeraars ondergebrachte pensioenregelingen hebben meer en meer en voor nieuwe contracten vrijwel alleen maar het karakter van een premieovereenkomst en een premiepensioeninstelling mag volgens artikel 23 lid 1 Pensioenwet uitsluitend premieovereenkomsten uitvoeren.

Er was in de pensioenpraktijk al een trend naar premieovereenkomsten zichtbaar. De premieovereenkomst kent een wezenlijk andere methode voor verwerving van pensioenaanspraken dan de uitkeringsovereenkomst: bij de premieovereenkomst is de hoogte van de premie bepaald, bij de uitkeringsovereenkomst geldt in beginsel een ‘vastgestelde’ uitkering (zie de definities in artikel 1 Pensioenwet). 7 In het Engels taalgebied spreekt met van Defined-Contribution (DC)- en Defined-Benefit (DB)-regelingen.

Voor pensioenfondsen gaat het overstappen op een ander karakter van de pensioenregeling gepaard met het voorschrift dat als ‘standaard’ de onder de ‘oude’ pensioenregeling opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten door een collectieve waardeoverdracht worden omgezet naar aanspraken en rechten in de nieuwe premieovereenkomst. Dat is wat het ‘invaren’ wordt genoemd.

De bestaande pensioenaanspraken en -rechten komen daarbij te vallen onder de regels van de nieuwe premieovereenkomst. Dit invaren is voor velen een steen van aanstoot, met name omdat de mogelijkheid van individuele pensioendeelnemers om hier bezwaar tegen te maken specifiek voor het invaren buiten toepassing is gesteld. Hieronder is dit nader uiteengezet.

Dit invaren is voor velen een steen van aanstoot, met name omdat de mogelijkheid van individuele pensioendeelnemers om hier bezwaar tegen te maken buiten toepassing is gesteld

Naast deze belangrijke wijziging van het karakter van de pensioenregeling kent de Wtp nog enkele andere onderwerpen, te weten:

  • een uniformering van het nabestaandenpensioen; 8
  • het openen van de mogelijkheid om een vrijwillige experimentele pensioenregeling voor zelfstandigen aan te bieden; 9
  • het verbieden van wachttijden voor de start van pensioenopbouw en de verlaging van de aanvangsleeftijd voor pensioenopbouw van 21 naar 18 jaar; 10
  • de introductie van de verplichting tot keuzebegeleiding voor pensioenuitvoerders; 11
  • de introductie van een nieuwe geschilleninstantie voor pensioenuitvoerders. 12

Deze onderwerpen laat ik in dit artikel onbesproken, behalve de geschilleninstantie.

Het voorschrijven van de premieovereenkomst als enig toegestane pensioenregeling is een belangrijke verandering. Er blijft onder de Wtp evenwel ook veel hetzelfde: de arbeidsvoorwaardelijke grondslag van de pensioenregeling blijft het vertrekpunt, de verplichtstelling van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds blijft mogelijk, de verplichting tot het onderbrengen van de pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder blijft gelden, waardoor de zo typerende driehoeksrelatie op pensioenterrein ontstaat (tussen werkgever, werknemer en pensioenuitvoerder).

Lees het volledige artikel Wet toekomst pensioenen. Dit artikel is geschreven door hoofddocent van de basiscursus Wet Toekomst Pensioenen Erik Lutjens en afkomstig uit het Nederlands Juristenblad.

Meer weten?

Het is dus belangrijk dat je als werkgever goed op de hoogte bent en je goed voorbereid. Tijdens de tweedaagse basiscursus Pensioenen krijg je hier de nodige handvatten voor.


  1. Auteur: Prof. dr. E. Lutjens, hoogleraar pensioenrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en advocaat bij DLA Piper.
  2. Wet van 3 juni 2023, Stb. 2023, 216; inwerkingtreding bij Besluit van 22 juni 2023, Stb. 2023, 2018. Voor enkele bepalingen geldt een andere inwerkingtredingsdatum dan 1 juli 2023. Dat zal waar dat voor het begrip nuttig is in dit artikel worden aangegeven.
  3. In art. 220i Pensioenwet staat nog 1 januari 2027 als uiterste datum, maar de minister heeft toegezegd de transitieperiode met een jaar te verlengen (Kamerstukken II 2022/23, 36067, nr, 191). Daartoe is het wetsvoorstel ‘Verlenging transitieperiode toekomst pensioenen’ op 16 september 2023 ter internetconsultatie voorgelegd.
  4. In de Tweede Kamer 93 stemmen voor, 48 tegen, in de Eerste Kamer 46 voor, 27 tegen (Handelingen II 2022/23, nr. 39, item 53, Kamerstuk 36067; Handelingen I 2022/23, nr. 34, item 11, Kamerstuk 36067).
  5. Met de aantekeningen dat de Wtp ook enkele aanpassingen in de Wet inkomstenbelasting 2011 geeft en het aan de Wtp ten grondslag liggende Pensioenakkoord ook maatregelen kende gericht op het afremmen van het stijgen van de AOW-leeftijd. Zie over het Pensioenakkoord de brief van de minister van 5 juni 2019, Kamerstukken II 2019/20, 32054, nr. 520.
  6. Voor overheidswerknemers is de grondslag gelegen in de Wet privatisering ABP en over beroepsbeoefenaren in de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Zie over de grondslagen ook voor andere groepen werkenden uitgebreid Asser/Lutjens, 7-XI, Pensioen, 2019 en 2023, nr. 18; en M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2020.
  7. Bij de door pensioenfondsen uitgevoerde pensioenregelingen kunnen pensioenaanspraken
    en -rechten onder omstandigheden gekort worden indien niet is voldaan aan de eisen van het vereiste (minimaal) eigen vermogen (art. 134 Pensioenwet).
  8. Zie hierover E. Lutjens & H.M. Kappelle, ‘Het partnerpensioen volgens de Wet toekomst pensioenen’, TPV 2023/2.
  9. Art. 150a Pensioenwet. Hierover E. Lutjens, ‘Tekortschietend pensioen: over zelfstandigen en witte en grijze vlekken’, TPV 2022/43.
  10. Het verbod van wachttijden geldt vanaf 1 juli 2023. Een drempelperiode van twee maanden is nog wel toegestaan voor het ouderdomspensioen. Een drempelperiode betekent dat bij het overschrijden van de drempeltijd pensioenopbouw vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst – dus ook de eerste twee drempelmaanden – plaatsvindt. De verlaging van de leeftijd naar achttien jaar geldt vanaf 1 januari 2024.
  11. Zie hierover R.H. Maatman & K.W.H. Broekhuizen, ‘Welke keuzebegeleiding kiest u?’, TPV 2023/15.
  12. Art. 48c Pensioenwet.

Over admin

Bekijk ook

PSD3 & PSR: New EU proposals game-changing for payments?

The European Commission published proposals for PSD3 and PSR1 On 28 June 2023, the European …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *